Column
Fopartikelen en computers
Leuk, dacht ik, toen ik in de etalage van de speelgoedwinkel een fraaie nep-steen zag liggen. Hij leek net echt, maar hij was het niet. Het bordje boven de vakken gaf dat ook aan. ‘Fopartikelen’, stond erop.
Ik ging naar binnen, vond de plank waar de stenen artistiek stonden opgestapeld en nam een steen in mijn hand. Het ding woog ook niks. Een soort schuimrubbermateriaal was het. Maar dat was niet het grappige. Het echt leuke was dat als je die steen ergens tegenaan gooide — een raam bijvoorbeeld — dat er dan niets gebeurde, maar dat je toch het gerinkel van glas hoorde. Hij kostte nog geen tientje. Niet duur voor een goede grap.
Thuisgekomen gaf ik een demonstratie. Ik haalde de steen uit mijn diplomatenkoffertje en zei op vlakke toon tegen mijn echtgenote: ‘Ik ben dat gekoekeloer naar die buis meer dan zat. Ik wil dat starende oog niet meer in mijn huiskamer.’
Ik haalde uit met een beweging waar een honkbalspeler jaloers op kon zijn en smeet mijn steen…
Ik zag mijn vrouw ineenkrimpen. Daar gaat onze TV, zag ik haar denken. En het glasgerinkel leek haar gelijk te geven.
Maar — hi hi, ha ha — het scherm bleef heel. Goede tijden, slechte tijden was weer gered. Ze kon er wel om lachen.
Dat konden mijn collega’s op de zaak ook. Ik had de steen als een soort presse papier op mijn bureau gelegd. Op een gegeven ogenblik riep ik op gemaakt overspannen toon — hoewel ik moet erkennen dat dat gezien de werkdruk weinig inspanning kostte — dat ik er genoeg van had, dat ik nóóit meer achter een computer wilde zitten, dat ik nóóit meer naar dat ene, loerende oog wilde kijken.
Ik greep mijn steen en haalde uit. Klabam! Glasgerinkel en toesnellende collega’s die wel eens wilden zien hoe ik uit mijn bol was gegaan en ook hoe zo’n monitor er nou van binnen uitziet…
Drie dagen later moest ik bij de personeelschef komen. Er was iets mis met het formulier waarop ik onze minister van Financiën moet meedelen tot welke inkomensgroep ik hoor zodat hij mij op passende wijze door zijn ambtenarenteam kan laten kaal plukken. ‘Ga zitten’, zei de personeelsman en hij dook in een la. Ik keek geïnteresseerd rond in zijn kamer.
Opeens viel mijn blik op een steen die hij — net als ik dat had gedaan — als presse papier gebruikte. Het was exact dezelfde steen die ik ook had gekocht. Zo’n rode baksteen.
‘Leuke steen’, zei ik. ‘Ik schat de waarde op ongeveer een tientje... Weet je wat jij zou moeten doen?’, vervolgde ik.
‘Het is voor jou toch ook niet meer vol te houden, al die dagen achter de computer? Ram dat ding in elkaar. Wat is er mooier dan een computervrij leven? Schud het juk van je af! Ik zal je helpen, broeder!’
En ik greep de steen en haalde uit. Glasgerinkel. Maar dat had ik verwacht. Wat ik niet had verwacht was de vonkenregen en de schroeilucht die uit het vernielde beeldscherm opsteeg. Verbijsterd keek ik in het gapende gat van het scherm. Hoewel ik me nu, achteraf, realiseer dat die steen eigenlijk toch een stuk zwaarder was dan de mijne…
Ik zit nu thuis. De bedrijfsarts heeft me overspannen verklaard. Ik heb rust. Zes weken lang.
Ik heb maar geen pogingen gedaan het allemaal uit te leggen. Ik bedoel, een investering van een tientje die een vakantie van zes weken oplevert, daar klaag je toch niet over?